Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis (IBR) is een besmettelijke virusziekte van de luchtwegen bij rundvee, veroorzaakt door het boviene herpesvirus type 1 (BoHV-1). Het virus tast vooral de neus-, keel- en luchtpijpslijmvliezen aan, maar kan ook de ogen en de voortplantingsorganen infecteren. IBR kan leiden tot flinke productieverliezen door koorts, verminderde eetlust, hoesten en melkproductiedaling. Daarnaast kan het virus zich in het lichaam verschuilen en later opnieuw actief worden. Een goede preventie en bedrijfsbreed management zijn daarom essentieel.
IBR wordt veroorzaakt door bovine herpesvirus subtype 1 (BHV1), een herpesvirus dat zeer besmettelijk is. Na een eerste infectie blijft het virus levenslang latent aanwezig in het lichaam. Stressfactoren zoals transport, ziekte, behandeling of rangordewisselingen kunnen het virus opnieuw activeren, waarna de koe virus gaat uitscheiden en andere dieren besmet.
Verspreiding vindt vooral plaats via:
BHV1 komt voor bij runderen van alle leeftijden. Kalveren laten vooral de luchtwegvorm zien, met klachten zoals hoesten en snotteren. Bij volwassen koeien kunnen naast luchtwegproblemen ook andere verschijnselen optreden, zoals oogontsteking of vruchtbaarheidsproblemen.
Na een besmetting bouwt een dier wel weerstand op, maar deze bescherming houdt niet levenslang aan. Als een koe later opnieuw in contact komt met het virus, hangt het van haar afweer af of ze opnieuw klachten krijgt en hoe ernstig die zijn.
BHV1 kan daarnaast niet alleen runderen besmetten, maar soms ook schapen, geiten en wilde herkauwers.
Iedere leeftijdsgroep kan besmet raken, maar de volgende groepen lopen een hoger risico op besmetting:
De klachten van IBR kunnen behoorlijk verschillen per dier en situatie. De ernst hangt vooral af van leeftijd, afweer, vaccinatie en de druk van het virus op het bedrijf. Jonge dieren laten meestal duidelijkere en zwaardere verschijnselen zien dan volwassen koeien.
Bij kalveren en pinken begint IBR vaak al snel na besmetting, meestal twee tot vier dagen later. De eerste signalen zijn minder eten, speekselen en sloom gedrag. De temperatuur loopt snel op en kan oplopen tot 41 à 42°C. De slijmvliezen van neus, mond en ogen worden felrood. Ook de neusspiegel kan opvallend rood worden. De neusuitvloeiing begint waterig, maar wordt snel dikker en pusachtig en kan soms zelfs bloed bevatten.
Door zwelling van de slijmvliezen in neus, keel en luchtpijp krijgen de dieren het benauwd. Ze ademen zwaar en soms met open bek. In ernstige gevallen is een piepend geluid hoorbaar. Het hoesten is vaak droog en kan zo hevig zijn dat de tong ver uit de bek steekt. Door de benauwdheid hebben de dieren moeite met drinken of eten en soms loopt voer of water weer terug omdat ook de keel ontstoken is. Bij subklinische IBR zijn de longen bij het luisteren meestal nog normaal, maar de bijgeluiden uit de bovenste luchtwegen kunnen dit soms verhullen.
Bij volwassen melkkoeien verloopt IBR doorgaans milder. Ze laten vooral een duidelijke daling in melkgift zien, gecombineerd met koorts, minder eetlust en een iets versnelde ademhaling. De slijmvliezen zijn wat roder en er komt heldere neusuitvloeiing vrij. Vaak hebben ze een droge hoest. Na een paar dagen zakt de koorts en verdwijnen de klachten. De meeste dieren herstellen binnen twee tot drie weken, al halen sommige koeien hun oude melkniveau niet meer.
Soms verloopt de infectie bij volwassen koeien toch ernstiger. Dan lijken de klachten meer op die van kalveren, met duidelijke aantasting van de slijmvliezen, zware benauwdheid en een snel pusachtige neusuitvloeiing. Door bijkomende bacteriële infecties kan de temperatuur langdurig hoog blijven en kan longontsteking ontstaan.
Bij vleesvee verloopt IBR vaak ernstiger doordat het klimaat in de stal meestal minder ideaal is. Deze dieren verliezen snel gewicht en ontwikkelen frequent longontsteking, vaak in combinatie met andere ziekteverwekkers zoals Mannheimia haemolytica.
IBR kan zich zeer snel door een koppel verspreiden, maar soms verloopt dit juist langzaam en ziet u steeds maar enkele zieke dieren tegelijk. Abortus kan optreden binnen twee weken na een acute infectie, maar soms ook pas tot honderd dagen later.
IBR kan worden aangetoond met:
Met deze onderzoeken kan worden bepaald of er actieve infectie is, of het bedrijf vrij is, of dat dieren drager zijn.
Er bestaat geen genezende behandeling tegen IBR. Behandeling richt zich vooral op:
Het belangrijkste in een uitbraak is het beperken van verspreiding door snelle isolatie en streng hygiëne-management.
Preventie is de kern bij IBR-beheersing. Belangrijke maatregelen zijn:
Veel melkveebedrijven streven naar een IBR-vrije of IBR-onverdacht status, omdat dit risico’s en bedrijfsschade aanzienlijk vermindert.
Net als bij andere infecties kan ook IBR subklinisch verlopen. Dieren vertonen dan geen duidelijke symptomen, maar kunnen wel virus uitscheiden en zo andere dieren besmetten. Subklinische infecties leiden bovendien tot:
Door monitoring via tankmelk en periodieke serologie kunnen subklinische infecties tijdig opgespoord worden.
In Nederland bestaan verschillende niveaus in het kader van IBR-bestrijding, vastgelegd binnen de door de GD beheerde programma’s. Melkveebedrijven kunnen via deze programma’s toewerken naar een IBR-vrije status, wat infectierisico’s verlaagt en toekomstig beleid ondersteunt. De dierenarts kan hierbij adviseren of ondersteunen.
Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis (IBR) is een besmettelijke virusziekte van de luchtwegen bij rundvee, veroorzaakt door het boviene herpesvirus type 1 (BoHV-1). Het virus tast vooral de neus-, keel- en luchtpijpslijmvliezen aan, maar kan ook de ogen en de voortplantingsorganen infecteren. IBR kan leiden tot flinke productieverliezen door koorts, verminderde eetlust, hoesten en melkproductiedaling. Daarnaast kan het virus zich in het lichaam verschuilen en later opnieuw actief worden. Een goede preventie en bedrijfsbreed management zijn daarom essentieel.
IBR wordt veroorzaakt door bovine herpesvirus subtype 1 (BHV1), een herpesvirus dat zeer besmettelijk is. Na een eerste infectie blijft het virus levenslang latent aanwezig in het lichaam. Stressfactoren zoals transport, ziekte, behandeling of rangordewisselingen kunnen het virus opnieuw activeren, waarna de koe virus gaat uitscheiden en andere dieren besmet.
Verspreiding vindt vooral plaats via:
BHV1 komt voor bij runderen van alle leeftijden. Kalveren laten vooral de luchtwegvorm zien, met klachten zoals hoesten en snotteren. Bij volwassen koeien kunnen naast luchtwegproblemen ook andere verschijnselen optreden, zoals oogontsteking of vruchtbaarheidsproblemen.
Na een besmetting bouwt een dier wel weerstand op, maar deze bescherming houdt niet levenslang aan. Als een koe later opnieuw in contact komt met het virus, hangt het van haar afweer af of ze opnieuw klachten krijgt en hoe ernstig die zijn.
BHV1 kan daarnaast niet alleen runderen besmetten, maar soms ook schapen, geiten en wilde herkauwers.
Iedere leeftijdsgroep kan besmet raken, maar de volgende groepen lopen een hoger risico op besmetting:
De klachten van IBR kunnen behoorlijk verschillen per dier en situatie. De ernst hangt vooral af van leeftijd, afweer, vaccinatie en de druk van het virus op het bedrijf. Jonge dieren laten meestal duidelijkere en zwaardere verschijnselen zien dan volwassen koeien.
Bij kalveren en pinken begint IBR vaak al snel na besmetting, meestal twee tot vier dagen later. De eerste signalen zijn minder eten, speekselen en sloom gedrag. De temperatuur loopt snel op en kan oplopen tot 41 à 42°C. De slijmvliezen van neus, mond en ogen worden felrood. Ook de neusspiegel kan opvallend rood worden. De neusuitvloeiing begint waterig, maar wordt snel dikker en pusachtig en kan soms zelfs bloed bevatten.
Door zwelling van de slijmvliezen in neus, keel en luchtpijp krijgen de dieren het benauwd. Ze ademen zwaar en soms met open bek. In ernstige gevallen is een piepend geluid hoorbaar. Het hoesten is vaak droog en kan zo hevig zijn dat de tong ver uit de bek steekt. Door de benauwdheid hebben de dieren moeite met drinken of eten en soms loopt voer of water weer terug omdat ook de keel ontstoken is. Bij subklinische IBR zijn de longen bij het luisteren meestal nog normaal, maar de bijgeluiden uit de bovenste luchtwegen kunnen dit soms verhullen.
Bij volwassen melkkoeien verloopt IBR doorgaans milder. Ze laten vooral een duidelijke daling in melkgift zien, gecombineerd met koorts, minder eetlust en een iets versnelde ademhaling. De slijmvliezen zijn wat roder en er komt heldere neusuitvloeiing vrij. Vaak hebben ze een droge hoest. Na een paar dagen zakt de koorts en verdwijnen de klachten. De meeste dieren herstellen binnen twee tot drie weken, al halen sommige koeien hun oude melkniveau niet meer.
Soms verloopt de infectie bij volwassen koeien toch ernstiger. Dan lijken de klachten meer op die van kalveren, met duidelijke aantasting van de slijmvliezen, zware benauwdheid en een snel pusachtige neusuitvloeiing. Door bijkomende bacteriële infecties kan de temperatuur langdurig hoog blijven en kan longontsteking ontstaan.
Bij vleesvee verloopt IBR vaak ernstiger doordat het klimaat in de stal meestal minder ideaal is. Deze dieren verliezen snel gewicht en ontwikkelen frequent longontsteking, vaak in combinatie met andere ziekteverwekkers zoals Mannheimia haemolytica.
IBR kan zich zeer snel door een koppel verspreiden, maar soms verloopt dit juist langzaam en ziet u steeds maar enkele zieke dieren tegelijk. Abortus kan optreden binnen twee weken na een acute infectie, maar soms ook pas tot honderd dagen later.
IBR kan worden aangetoond met:
Met deze onderzoeken kan worden bepaald of er actieve infectie is, of het bedrijf vrij is, of dat dieren drager zijn.
Er bestaat geen genezende behandeling tegen IBR. Behandeling richt zich vooral op:
Het belangrijkste in een uitbraak is het beperken van verspreiding door snelle isolatie en streng hygiëne-management.
Preventie is de kern bij IBR-beheersing. Belangrijke maatregelen zijn:
Veel melkveebedrijven streven naar een IBR-vrije of IBR-onverdacht status, omdat dit risico’s en bedrijfsschade aanzienlijk vermindert.
Net als bij andere infecties kan ook IBR subklinisch verlopen. Dieren vertonen dan geen duidelijke symptomen, maar kunnen wel virus uitscheiden en zo andere dieren besmetten. Subklinische infecties leiden bovendien tot:
Door monitoring via tankmelk en periodieke serologie kunnen subklinische infecties tijdig opgespoord worden.
In Nederland bestaan verschillende niveaus in het kader van IBR-bestrijding, vastgelegd binnen de door de GD beheerde programma’s. Melkveebedrijven kunnen via deze programma’s toewerken naar een IBR-vrije status, wat infectierisico’s verlaagt en toekomstig beleid ondersteunt. De dierenarts kan hierbij adviseren of ondersteunen.