Bovine Virale Diarree (BVD) is een besmettelijke virusziekte die rundvee van alle leeftijden kan treffen. De ziekte wordt veroorzaakt door het BVD-virus (BVDV), een pestivirus dat naast diarree ook koorts, luchtwegproblemen, verminderde weerstand en vruchtbaarheidsstoringen kan veroorzaken. BVD kan leiden tot grote economische schade door productiedaling, hogere uitval, meer ziektegevallen en problemen bij drachtige dieren. Een goede preventie en bedrijfsbreed management zijn daarom essentieel.
BVD wordt veroorzaakt door het bovine virale diarreevirus. Er bestaan twee vormen van het virus: een niet-cytopathogene (NCP) en een cytopathogene (CP) variant. De NCP-variant veroorzaakt de meeste problemen op melkveebedrijven, vooral omdat deze vorm kan zorgen voor de geboorte van persistent geïnfecteerde dieren.
Persistent geïnfecteerde dieren zijn blijvend besmet en hebben het virus in grote hoeveelheden in hun lichaam. Ze scheiden het virus voortdurend uit en vormen daarmee de belangrijkste besmettingsbron binnen koppels.
Verspreiding vindt vooral plaats via:
Alle leeftijdsgroepen kunnen BVD oplopen, maar sommige dieren lopen meer risico:
BVD kan ook voorkomen op gemengde bedrijven of locaties waar kalveren vanuit meerdere bedrijven worden samengebracht.
De verschijnselen van BVD lopen sterk uiteen. Veel besmettingen verlopen mild of onopvallend, terwijl andere dieren juist ernstig ziek worden. De ernst hangt af van leeftijd, weerstand, de vorm van het virus en of het dier immunologisch naïef is.
Bij jongvee wordt vaak een combinatie gezien van diarree, koorts, sloomheid en verminderde eetlust. De diarree kan waterig zijn en soms vermengd met slijm of bloed. Door de lage weerstand kunnen dieren snel bijkomende infecties oplopen zoals luchtwegproblemen of longontsteking. De groei blijft achter en groepen kunnen langdurig ondermaats presteren.
Bij volwassen melkkoeien verloopt een infectie meestal milder, maar leidt vaak tot melkproductiedaling, koorts, minder eetlust en soms lichte diarree. De weerstand daalt, waardoor andere ziekten vaker voorkomen. Vooral in een besmette koppel kan de melkgift wekenlang achterblijven. Bij drachtige dieren kan BVD grote gevolgen hebben. Het virus kan via de baarmoeder het ongeboren kalf besmetten. Afhankelijk van het stadium van de dracht kan dit leiden tot vroege embryonale sterfte, verworpen vruchten, misvormde kalveren of de geboorte van een persistent geïnfecteerd kalf.
Persistent geïnfecteerde kalveren vormen de meest ernstige vorm van BVD op een bedrijf. Ze worden vaak zwak geboren, blijven achter in groei, zijn vatbaar voor allerlei infecties en sterven vaak jong. Daarnaast worden er ook persistent geïnfecteerde kalveren geboren zonder ziekteverschijnselen Deze besmetten voortdurend andere dieren in de koppel.
BVD kan op verschillende manieren worden aangetoond:
Met deze methoden kan worden bepaald of er virus aanwezig is, of er persistent geïnfecteerde dieren in de koppel zijn en welke status het bedrijf heeft.
Er is geen genezende behandeling voor het virus zelf. Behandeling richt zich daarom op:
Het belangrijkste in een uitbraak is het opsporen en verwijderen van persistent geïnfecteerde dieren, omdat deze dieren de voortdurende besmettingsbron vormen.
Preventie is de basis van BVD-beheersing. Belangrijke maatregelen zijn:
Veel bedrijven streven naar een BVD-vrije status, omdat dit risico’s en economische schade vermindert en de algemene diergezondheid verbetert.
Veel BVD-infecties verlopen onopvallend. Dieren lijken gezond, maar hebben een verlaagde weerstand, waardoor andere ziekten vaker voorkomen. Subklinische BVD leidt tot:
Regelmatige monitoring via tankmelk en onderzoek van kalveren is belangrijk om deze stille verspreiding op te sporen.
In Nederland zijn verschillende BVD-programma’s beschikbaar, beheerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). Bedrijven kunnen hiermee toewerken naar een BVD-vrije status. De dierenarts kan adviseren over de beste strategie voor het bedrijf.
Bovine Virale Diarree (BVD) is een besmettelijke virusziekte die rundvee van alle leeftijden kan treffen. De ziekte wordt veroorzaakt door het BVD-virus (BVDV), een pestivirus dat naast diarree ook koorts, luchtwegproblemen, verminderde weerstand en vruchtbaarheidsstoringen kan veroorzaken. BVD kan leiden tot grote economische schade door productiedaling, hogere uitval, meer ziektegevallen en problemen bij drachtige dieren. Een goede preventie en bedrijfsbreed management zijn daarom essentieel.
BVD wordt veroorzaakt door het bovine virale diarreevirus. Er bestaan twee vormen van het virus: een niet-cytopathogene (NCP) en een cytopathogene (CP) variant. De NCP-variant veroorzaakt de meeste problemen op melkveebedrijven, vooral omdat deze vorm kan zorgen voor de geboorte van persistent geïnfecteerde dieren.
Persistent geïnfecteerde dieren zijn blijvend besmet en hebben het virus in grote hoeveelheden in hun lichaam. Ze scheiden het virus voortdurend uit en vormen daarmee de belangrijkste besmettingsbron binnen koppels.
Verspreiding vindt vooral plaats via:
Alle leeftijdsgroepen kunnen BVD oplopen, maar sommige dieren lopen meer risico:
BVD kan ook voorkomen op gemengde bedrijven of locaties waar kalveren vanuit meerdere bedrijven worden samengebracht.
De verschijnselen van BVD lopen sterk uiteen. Veel besmettingen verlopen mild of onopvallend, terwijl andere dieren juist ernstig ziek worden. De ernst hangt af van leeftijd, weerstand, de vorm van het virus en of het dier immunologisch naïef is.
Bij jongvee wordt vaak een combinatie gezien van diarree, koorts, sloomheid en verminderde eetlust. De diarree kan waterig zijn en soms vermengd met slijm of bloed. Door de lage weerstand kunnen dieren snel bijkomende infecties oplopen zoals luchtwegproblemen of longontsteking. De groei blijft achter en groepen kunnen langdurig ondermaats presteren.
Bij volwassen melkkoeien verloopt een infectie meestal milder, maar leidt vaak tot melkproductiedaling, koorts, minder eetlust en soms lichte diarree. De weerstand daalt, waardoor andere ziekten vaker voorkomen. Vooral in een besmette koppel kan de melkgift wekenlang achterblijven. Bij drachtige dieren kan BVD grote gevolgen hebben. Het virus kan via de baarmoeder het ongeboren kalf besmetten. Afhankelijk van het stadium van de dracht kan dit leiden tot vroege embryonale sterfte, verworpen vruchten, misvormde kalveren of de geboorte van een persistent geïnfecteerd kalf.
Persistent geïnfecteerde kalveren vormen de meest ernstige vorm van BVD op een bedrijf. Ze worden vaak zwak geboren, blijven achter in groei, zijn vatbaar voor allerlei infecties en sterven vaak jong. Daarnaast worden er ook persistent geïnfecteerde kalveren geboren zonder ziekteverschijnselen Deze besmetten voortdurend andere dieren in de koppel.
BVD kan op verschillende manieren worden aangetoond:
Met deze methoden kan worden bepaald of er virus aanwezig is, of er persistent geïnfecteerde dieren in de koppel zijn en welke status het bedrijf heeft.
Er is geen genezende behandeling voor het virus zelf. Behandeling richt zich daarom op:
Het belangrijkste in een uitbraak is het opsporen en verwijderen van persistent geïnfecteerde dieren, omdat deze dieren de voortdurende besmettingsbron vormen.
Preventie is de basis van BVD-beheersing. Belangrijke maatregelen zijn:
Veel bedrijven streven naar een BVD-vrije status, omdat dit risico’s en economische schade vermindert en de algemene diergezondheid verbetert.
Veel BVD-infecties verlopen onopvallend. Dieren lijken gezond, maar hebben een verlaagde weerstand, waardoor andere ziekten vaker voorkomen. Subklinische BVD leidt tot:
Regelmatige monitoring via tankmelk en onderzoek van kalveren is belangrijk om deze stille verspreiding op te sporen.
In Nederland zijn verschillende BVD-programma’s beschikbaar, beheerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). Bedrijven kunnen hiermee toewerken naar een BVD-vrije status. De dierenarts kan adviseren over de beste strategie voor het bedrijf.