Salmonella is een besmettelijke bacteriële infectie die rundvee van alle leeftijden kan treffen. De ziekte wordt veroorzaakt door Salmonella-bacteriën, die naast diarree ook koorts, sloomheid, melkproductiedaling en soms bloedvergiftiging kunnen veroorzaken. Salmonella leidt vaak tot grote economische schade door groeivertraging, hogere uitval, vruchtbaarheidsproblemen en productiedaling. Omdat de bacterie lang kan overleven in de omgeving en dieren drager kunnen blijven, zijn goede hygiëne en bedrijfsbreed management essentieel.
Salmonellose wordt veroorzaakt door bacteriën van het geslacht Salmonella. Bij rundvee zijn vooral Salmonella Dublin en Salmonella Typhimurium van belang. S. Dublin past zich aan aan rundvee en veroorzaakt vaak langdurige of terugkerende problemen. S. Typhimurium kan zowel runderen als andere diersoorten infecteren en geeft vooral acute diarree-uitbraken.
De bacterie verspreidt zich gemakkelijk, vooral via mest en meststofdeeltjes. Dieren kunnen bovendien drager worden: ze lijken gezond, maar scheiden toch bacteriën uit, vooral bij stress. Dit maakt salmonella hardnekkig en lastig volledig uit te roeien op bedrijven.
Verspreiding vindt vooral plaats via:
• Mest en meststofdeeltjes
• Neus- en speekselcontact
• Voer, drinkwater of melk die met mest zijn besmet
• Direct contact tussen dieren
• Indirect via materiaal, laarzen, voertuigen en bezoekers
• Ongedierte zoals muizen, ratten en vogels
Alle runderen kunnen salmonella oplopen, maar sommige groepen lopen meer risico:
• Kalveren, vooral wanneer ze weinig of onvoldoende kwalitatieve biest hebben gekregen
• Melkkoeien rond afkalven door stress en verminderde weerstand
• Bedrijven met een onbekende of slechte salmonella-status
• Bedrijven waar dieren worden aangekocht of veel aan- en afvoer plaatsvindt
Kalveren en jongvee zijn vaak het kwetsbaarst: zij worden doorgaans het zwaarst ziek en kunnen snel uitdrogen. Volwassen dieren kunnen zowel acute diarree krijgen als ongemerkt drager worden.
De verschijnselen van salmonella verschillen per dier, leeftijd en weerstand. Veel infecties beginnen met hoge koorts (41-42°C), verminderde eetlust en sloomheid. Daarna ontstaat diarree, die waterig kan zijn en soms slijm of bloed bevat. De mest gaat vaak sterk ruiken. Kalveren raken snel uitgedroogd en kunnen zonder tijdige behandeling sterven. Bij sommige kalveren kan na één tot twee weken sepsis ontstaan. Hierdoor kan longontsteking, gewrichtsontsteking, botontsteking of hersenvliesontsteking optreden. Soms ontstaat er zelfs weefselsterfte aan de uiteinden van het lichaam, waardoor bijvoorbeeld een oorpunt of een stukje staart kan afsterven en afvallen
Bij volwassen melkkoeien verloopt een infectie meestal iets milder, maar leidt vaak tot melkproductiedaling, koorts, minder eetlust en dunne mest. De weerstand daalt, waardoor andere infecties sneller toeslaan. Vooral in besmette koppels kan de melkgift wekenlang achterblijven.
Bij drachtige dieren kan salmonella leiden tot abortus, meestal in het tweede deel van de dracht. Sommige dieren worden drager en blijven langdurig bacteriën uitscheiden zonder duidelijke symptomen, wat de besmetting in stand houdt.
Salmonella kan worden aangetoond met:
• Mestonderzoek via kweek of PCR
• Bloedonderzoek om dragerschap of doorgemaakte infectie op te sporen
• Tankmelkonderzoek voor monitoring op melkveebedrijven
• Onderzoek op organen of darmmateriaal bij sterfte of abortus
Dragers kunnen intermitterend uitscheider zijn en daarom moet het bacteriologisch onderzoek van de feces enkele malen worden herhaald om een besmetting uit te sluiten. In de diagnostiek wordt ook gebruik gemaakt van detectie van antilichamen, die aantoonbaar zijn vanaf ongeveer 3 weken na infectie en bij niet persistent geïnfecteerde dieren tot 9 maanden aanwezig kunnen zijn.
Er is geen behandeling die salmonella direct geneest. De therapie richt zich op:
• Voorkomen van uitdroging (elektrolyten, voldoende wateropname)
• Ondersteunen van de weerstand
• Behandeling van secundaire bacteriële infecties (alleen indien nodig en op advies van de dierenarts)
Snelle isolatie van zieke dieren is essentieel om verdere verspreiding te voorkomen. Strikte hygiëne en goede verzorging van kalveren kunnen sterfte aanzienlijk verminderen.
Preventie is de basis in de bestrijding van salmonella. Belangrijke maatregelen zijn:
• Strikte hygiëne en mestmanagement
• Goede biestvoorziening voor kalveren
• Gesloten bedrijfsvoering of aankoop van salmonella-vrije dieren
• Quarantaine van nieuwe dieren gedurende minimaal drie weken
• Ongediertebestrijding (muizen, ratten, vogels)
• Schoonhouden van drinkbakken, voerplekken en jongveegroepen
• Beperking van bezoekerstromen en goede bedrijfskleding
Bedrijven die salmonella eenmaal binnen hebben, moeten vaak langere tijd consequent maatregelen nemen om de bacterie weg te werken omdat die lang in de omgeving kan overleven en dieren drager kunnen blijven.
Veel salmonellabesmettingen blijven onopvallend. Dieren lijken gezond, maar hebben een verlaagde weerstand en scheiden onopgemerkt bacteriën uit. Subklinische salmonella leidt tot:
• Minder groei bij jongvee
• Productiedaling
• Meer luchtweg- en darmproblemen
• Mindere vruchtbaarheid
Regelmatige monitoring via mestonderzoek of tankmelk is belangrijk om deze stille verspreiding op te sporen.
In Nederland bestaan verschillende salmonellaprogramma’s, beheerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). Via gestructureerde monitoring, gerichte onderzoeken en bedrijfsbegeleiding kan worden toegewerkt naar een salmonella-vrije status. De dierenarts kan ondersteunen bij het opstellen van een bedrijfsplan en het bewaken van voortgang.
Salmonella is een besmettelijke bacteriële infectie die rundvee van alle leeftijden kan treffen. De ziekte wordt veroorzaakt door Salmonella-bacteriën, die naast diarree ook koorts, sloomheid, melkproductiedaling en soms bloedvergiftiging kunnen veroorzaken. Salmonella leidt vaak tot grote economische schade door groeivertraging, hogere uitval, vruchtbaarheidsproblemen en productiedaling. Omdat de bacterie lang kan overleven in de omgeving en dieren drager kunnen blijven, zijn goede hygiëne en bedrijfsbreed management essentieel.
Salmonellose wordt veroorzaakt door bacteriën van het geslacht Salmonella. Bij rundvee zijn vooral Salmonella Dublin en Salmonella Typhimurium van belang. S. Dublin past zich aan aan rundvee en veroorzaakt vaak langdurige of terugkerende problemen. S. Typhimurium kan zowel runderen als andere diersoorten infecteren en geeft vooral acute diarree-uitbraken.
De bacterie verspreidt zich gemakkelijk, vooral via mest en meststofdeeltjes. Dieren kunnen bovendien drager worden: ze lijken gezond, maar scheiden toch bacteriën uit, vooral bij stress. Dit maakt salmonella hardnekkig en lastig volledig uit te roeien op bedrijven.
Verspreiding vindt vooral plaats via:
• Mest en meststofdeeltjes
• Neus- en speekselcontact
• Voer, drinkwater of melk die met mest zijn besmet
• Direct contact tussen dieren
• Indirect via materiaal, laarzen, voertuigen en bezoekers
• Ongedierte zoals muizen, ratten en vogels
Alle runderen kunnen salmonella oplopen, maar sommige groepen lopen meer risico:
• Kalveren, vooral wanneer ze weinig of onvoldoende kwalitatieve biest hebben gekregen
• Melkkoeien rond afkalven door stress en verminderde weerstand
• Bedrijven met een onbekende of slechte salmonella-status
• Bedrijven waar dieren worden aangekocht of veel aan- en afvoer plaatsvindt
Kalveren en jongvee zijn vaak het kwetsbaarst: zij worden doorgaans het zwaarst ziek en kunnen snel uitdrogen. Volwassen dieren kunnen zowel acute diarree krijgen als ongemerkt drager worden.
De verschijnselen van salmonella verschillen per dier, leeftijd en weerstand. Veel infecties beginnen met hoge koorts (41-42°C), verminderde eetlust en sloomheid. Daarna ontstaat diarree, die waterig kan zijn en soms slijm of bloed bevat. De mest gaat vaak sterk ruiken. Kalveren raken snel uitgedroogd en kunnen zonder tijdige behandeling sterven. Bij sommige kalveren kan na één tot twee weken sepsis ontstaan. Hierdoor kan longontsteking, gewrichtsontsteking, botontsteking of hersenvliesontsteking optreden. Soms ontstaat er zelfs weefselsterfte aan de uiteinden van het lichaam, waardoor bijvoorbeeld een oorpunt of een stukje staart kan afsterven en afvallen
Bij volwassen melkkoeien verloopt een infectie meestal iets milder, maar leidt vaak tot melkproductiedaling, koorts, minder eetlust en dunne mest. De weerstand daalt, waardoor andere infecties sneller toeslaan. Vooral in besmette koppels kan de melkgift wekenlang achterblijven.
Bij drachtige dieren kan salmonella leiden tot abortus, meestal in het tweede deel van de dracht. Sommige dieren worden drager en blijven langdurig bacteriën uitscheiden zonder duidelijke symptomen, wat de besmetting in stand houdt.
Salmonella kan worden aangetoond met:
• Mestonderzoek via kweek of PCR
• Bloedonderzoek om dragerschap of doorgemaakte infectie op te sporen
• Tankmelkonderzoek voor monitoring op melkveebedrijven
• Onderzoek op organen of darmmateriaal bij sterfte of abortus
Dragers kunnen intermitterend uitscheider zijn en daarom moet het bacteriologisch onderzoek van de feces enkele malen worden herhaald om een besmetting uit te sluiten. In de diagnostiek wordt ook gebruik gemaakt van detectie van antilichamen, die aantoonbaar zijn vanaf ongeveer 3 weken na infectie en bij niet persistent geïnfecteerde dieren tot 9 maanden aanwezig kunnen zijn.
Er is geen behandeling die salmonella direct geneest. De therapie richt zich op:
• Voorkomen van uitdroging (elektrolyten, voldoende wateropname)
• Ondersteunen van de weerstand
• Behandeling van secundaire bacteriële infecties (alleen indien nodig en op advies van de dierenarts)
Snelle isolatie van zieke dieren is essentieel om verdere verspreiding te voorkomen. Strikte hygiëne en goede verzorging van kalveren kunnen sterfte aanzienlijk verminderen.
Preventie is de basis in de bestrijding van salmonella. Belangrijke maatregelen zijn:
• Strikte hygiëne en mestmanagement
• Goede biestvoorziening voor kalveren
• Gesloten bedrijfsvoering of aankoop van salmonella-vrije dieren
• Quarantaine van nieuwe dieren gedurende minimaal drie weken
• Ongediertebestrijding (muizen, ratten, vogels)
• Schoonhouden van drinkbakken, voerplekken en jongveegroepen
• Beperking van bezoekerstromen en goede bedrijfskleding
Bedrijven die salmonella eenmaal binnen hebben, moeten vaak langere tijd consequent maatregelen nemen om de bacterie weg te werken omdat die lang in de omgeving kan overleven en dieren drager kunnen blijven.
Veel salmonellabesmettingen blijven onopvallend. Dieren lijken gezond, maar hebben een verlaagde weerstand en scheiden onopgemerkt bacteriën uit. Subklinische salmonella leidt tot:
• Minder groei bij jongvee
• Productiedaling
• Meer luchtweg- en darmproblemen
• Mindere vruchtbaarheid
Regelmatige monitoring via mestonderzoek of tankmelk is belangrijk om deze stille verspreiding op te sporen.
In Nederland bestaan verschillende salmonellaprogramma’s, beheerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). Via gestructureerde monitoring, gerichte onderzoeken en bedrijfsbegeleiding kan worden toegewerkt naar een salmonella-vrije status. De dierenarts kan ondersteunen bij het opstellen van een bedrijfsplan en het bewaken van voortgang.