Infectieziekten

Infectieziekten

1.1 IBR

Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis (IBR) is een besmettelijke virusziekte van de luchtwegen bij rundvee, veroorzaakt door het boviene herpesvirus type 1 (BoHV-1). Het virus tast vooral de neus-, keel- en luchtpijp­slijmvliezen aan, maar kan ook de ogen en de voortplantingsorganen infecteren. IBR kan leiden tot flinke productieverliezen door koorts, verminderde eetlust, hoesten en melkproductiedaling. Daarnaast kan het virus zich in het lichaam verschuilen en later opnieuw actief worden. Een goede preventie en bedrijfsbreed management zijn daarom essentieel.

Wat is de oorzaak van IBR?

IBR wordt veroorzaakt door bovine herpesvirus subtype 1 (BHV1), een herpesvirus dat zeer besmettelijk is. Na een eerste infectie blijft het virus levenslang latent aanwezig in het lichaam. Stressfactoren zoals transport, ziekte, behandeling of rangorde­wisselingen kunnen het virus opnieuw activeren, waarna de koe virus gaat uitscheiden en andere dieren besmet.

Verspreiding vindt vooral plaats via:

  • Neusuitvloeiing en druppelinfectie (hoesten, niezen)
  • Direct contact tussen dieren
  • Indirect via materiaal, bezoekers of voertuigen
  • Sperma van besmette stieren

Bij welke dieren komt IBR voor?

BHV1 komt voor bij runderen van alle leeftijden. Kalveren laten vooral de luchtwegvorm zien, met klachten zoals hoesten en snotteren. Bij volwassen koeien kunnen naast luchtwegproblemen ook andere verschijnselen optreden, zoals oogontsteking of vruchtbaarheidsproblemen.

Na een besmetting bouwt een dier wel weerstand op, maar deze bescherming houdt niet levenslang aan. Als een koe later opnieuw in contact komt met het virus, hangt het van haar afweer af of ze opnieuw klachten krijgt en hoe ernstig die zijn.

BHV1 kan daarnaast niet alleen runderen besmetten, maar soms ook schapen, geiten en wilde herkauwers.

Iedere leeftijdsgroep kan besmet raken, maar de volgende groepen lopen een hoger risico op besmetting:

  • Jongvee zonder voldoende antistoffen
  • Ongevaccineerde melkkoeien
  • Dieren afkomstig van bedrijven met onbekende of slechte IBR-status
  • Dieren die stress ondervinden door bijvoorbeeld transport, rangorde­veranderingen of andere ziekten

Wat zijn de verschijnselen van IBR?

De klachten van IBR kunnen behoorlijk verschillen per dier en situatie. De ernst hangt vooral af van leeftijd, afweer, vaccinatie en de druk van het virus op het bedrijf. Jonge dieren laten meestal duidelijkere en zwaardere verschijnselen zien dan volwassen koeien.

Bij kalveren en pinken begint IBR vaak al snel na besmetting, meestal twee tot vier dagen later. De eerste signalen zijn minder eten, speekselen en sloom gedrag. De temperatuur loopt snel op en kan oplopen tot 41 à 42°C. De slijmvliezen van neus, mond en ogen worden felrood. Ook de neusspiegel kan opvallend rood worden. De neusuitvloeiing begint waterig, maar wordt snel dikker en pusachtig en kan soms zelfs bloed bevatten.

Door zwelling van de slijmvliezen in neus, keel en luchtpijp krijgen de dieren het benauwd. Ze ademen zwaar en soms met open bek. In ernstige gevallen is een piepend geluid hoorbaar. Het hoesten is vaak droog en kan zo hevig zijn dat de tong ver uit de bek steekt. Door de benauwdheid hebben de dieren moeite met drinken of eten en soms loopt voer of water weer terug omdat ook de keel ontstoken is. Bij subklinische IBR zijn de longen bij het luisteren meestal nog normaal, maar de bijgeluiden uit de bovenste luchtwegen kunnen dit soms verhullen.

Bij volwassen melkkoeien verloopt IBR doorgaans milder. Ze laten vooral een duidelijke daling in melkgift zien, gecombineerd met koorts, minder eetlust en een iets versnelde ademhaling. De slijmvliezen zijn wat roder en er komt heldere neusuitvloeiing vrij. Vaak hebben ze een droge hoest. Na een paar dagen zakt de koorts en verdwijnen de klachten. De meeste dieren herstellen binnen twee tot drie weken, al halen sommige koeien hun oude melkniveau niet meer.

Soms verloopt de infectie bij volwassen koeien toch ernstiger. Dan lijken de klachten meer op die van kalveren, met duidelijke aantasting van de slijmvliezen, zware benauwdheid en een snel pusachtige neusuitvloeiing. Door bijkomende bacteriële infecties kan de temperatuur langdurig hoog blijven en kan longontsteking ontstaan.

Bij vleesvee verloopt IBR vaak ernstiger doordat het klimaat in de stal meestal minder ideaal is. Deze dieren verliezen snel gewicht en ontwikkelen frequent longontsteking, vaak in combinatie met andere ziekteverwekkers zoals Mannheimia haemolytica.

IBR kan zich zeer snel door een koppel verspreiden, maar soms verloopt dit juist langzaam en ziet u steeds maar enkele zieke dieren tegelijk. Abortus kan optreden binnen twee weken na een acute infectie, maar soms ook pas tot honderd dagen later.

Wat voor onderzoek is mogelijk naar IBR?

IBR kan worden aangetoond met:

  • Bloedonderzoek op antistoffen (individueel of tankmelk)
  • PCR-onderzoek op neusswabs of longmateriaal
  • Tankmelkmonitoring voor koppelstatus op melkveebedrijven

Met deze onderzoeken kan worden bepaald of er actieve infectie is, of het bedrijf vrij is, of dat dieren drager zijn.

Wat is de behandeling voor IBR?

Er bestaat geen genezende behandeling tegen IBR. Behandeling richt zich vooral op:

  • Verminderen van koorts en luchtwegklachten
  • Ondersteuning van weerstand
  • Eventueel behandelen van secundaire bacteriële infecties met antibiotica (alleen indien nodig en op advies van de dierenarts)

Het belangrijkste in een uitbraak is het beperken van verspreiding door snelle isolatie en streng hygiëne-management.

Hoe kan IBR worden voorkomen?

Preventie is de kern bij IBR-beheersing. Belangrijke maatregelen zijn:

  • Vaccinatie:
    • Regelmatige vaccinatie voorkomt ziekteverschijnselen en verlaagt virusuitscheiding.
    • Zowel marker- als conventionele vaccins zijn beschikbaar; de keuze hangt af van de bedrijfsdoelen en eventuele deelname aan programma’s.
  • Gesloten bedrijfsvoering:
    • Vermijd aankopen van dieren of koop alleen IBR-vrije dieren.
  • Quarantaine:
    • Nieuwe dieren minimaal 3 weken apart houden en vaccinatiestatus controleren.
  • Goede bioveiligheid:
    • Bezoekershygiëne, schoon materiaal, beperken van contact met andere koppels.
  • Stressreductie:
    • Zorg voor rustig management, stabiele groepen en goede klimaatcondities.

Veel melkveebedrijven streven naar een IBR-vrije of IBR-onverdacht status, omdat dit risico’s en bedrijfsschade aanzienlijk vermindert.

Subklinische IBR

Net als bij andere infecties kan ook IBR subklinisch verlopen. Dieren vertonen dan geen duidelijke symptomen, maar kunnen wel virus uitscheiden en zo andere dieren besmetten. Subklinische infecties leiden bovendien tot:

  • Verminderde voeropname
  • Productiedaling
  • Verhoogde gevoeligheid voor secundaire luchtweginfecties

Door monitoring via tankmelk en periodieke serologie kunnen subklinische infecties tijdig opgespoord worden.

Programma’s om IBR-vrij te worden

In Nederland bestaan verschillende niveaus in het kader van IBR-bestrijding, vastgelegd binnen de door de GD beheerde programma’s. Melkveebedrijven kunnen via deze programma’s toewerken naar een IBR-vrije status, wat infectierisico’s verlaagt en toekomstig beleid ondersteunt. De dierenarts kan hierbij adviseren of ondersteunen.

1.2 BVD

Bovine Virale Diarree (BVD) is een besmettelijke virusziekte die rundvee van alle leeftijden kan treffen. De ziekte wordt veroorzaakt door het BVD-virus (BVDV), een pestivirus dat naast diarree ook koorts, luchtwegproblemen, verminderde weerstand en vruchtbaarheidsstoringen kan veroorzaken. BVD kan leiden tot grote economische schade door productiedaling, hogere uitval, meer ziektegevallen en problemen bij drachtige dieren. Een goede preventie en bedrijfsbreed management zijn daarom essentieel.

Wat is de oorzaak van BVD?

BVD wordt veroorzaakt door het bovine virale diarreevirus. Er bestaan twee vormen van het virus: een niet-cytopathogene (NCP) en een cytopathogene (CP) variant. De NCP-variant veroorzaakt de meeste problemen op melkveebedrijven, vooral omdat deze vorm kan zorgen voor de geboorte van persistent geïnfecteerde dieren.

Persistent geïnfecteerde dieren zijn blijvend besmet en hebben het virus in grote hoeveelheden in hun lichaam. Ze scheiden het virus voortdurend uit en vormen daarmee de belangrijkste besmettingsbron binnen koppels.

Verspreiding vindt vooral plaats via:

  • Neus- en speekselcontact
  • Mest, urine en sperma
  • Melk en biest
  • Direct contact tussen dieren
  • Ongeboren kalveren via de dracht
  • Indirect via bezoekers, materiaal of voertuigen

Bij welke dieren komt BVD voor?

Alle leeftijdsgroepen kunnen BVD oplopen, maar sommige dieren lopen meer risico:

  • Jongvee zonder voldoende antistoffen
  • Bedrijven waar nooit of weinig wordt gevaccineerd
  • Bedrijven met onbekende of slechte BVD-status
  • Bedrijven met recent aangekochte dieren of aanloop van jongvee

BVD kan ook voorkomen op gemengde bedrijven of locaties waar kalveren vanuit meerdere bedrijven worden samengebracht.

Wat zijn de verschijnselen van BVD?

De verschijnselen van BVD lopen sterk uiteen. Veel besmettingen verlopen mild of onopvallend, terwijl andere dieren juist ernstig ziek worden. De ernst hangt af van leeftijd, weerstand, de vorm van het virus en of het dier immunologisch naïef is.

Bij jongvee wordt vaak een combinatie gezien van diarree, koorts, sloomheid en verminderde eetlust. De diarree kan waterig zijn en soms vermengd met slijm of bloed. Door de lage weerstand kunnen dieren snel bijkomende infecties oplopen zoals luchtwegproblemen of longontsteking. De groei blijft achter en groepen kunnen langdurig ondermaats presteren.

Bij volwassen melkkoeien verloopt een infectie meestal milder, maar leidt vaak tot melkproductiedaling, koorts, minder eetlust en soms lichte diarree. De weerstand daalt, waardoor andere ziekten vaker voorkomen. Vooral in een besmette koppel kan de melkgift wekenlang achterblijven. Bij drachtige dieren kan BVD grote gevolgen hebben. Het virus kan via de baarmoeder het ongeboren kalf besmetten. Afhankelijk van het stadium van de dracht kan dit leiden tot vroege embryonale sterfte, verworpen vruchten, misvormde kalveren of de geboorte van een persistent geïnfecteerd kalf.

Persistent geïnfecteerde kalveren vormen de meest ernstige vorm van BVD op een bedrijf. Ze worden vaak zwak geboren, blijven achter in groei, zijn vatbaar voor allerlei infecties en sterven vaak jong. Daarnaast worden er ook persistent geïnfecteerde kalveren geboren zonder ziekteverschijnselen Deze besmetten voortdurend andere dieren in de koppel.

Wat voor onderzoek is mogelijk naar BVD?

BVD kan op verschillende manieren worden aangetoond:

  • Oorbiopt-onderzoek bij kalveren (BVD-antigeentest) ideaal om persistent geïnfecteerde kalveren direct op te sporen
  • Bloedonderzoek op antistoffen of virus
  • Tankmelkonderzoek om viruscirculatie in de melkveekoppel te monitoren
  • PCR-onderzoek op weefsel of bloed voor directe virusdetectie

Met deze methoden kan worden bepaald of er virus aanwezig is, of er persistent geïnfecteerde dieren in de koppel zijn en welke status het bedrijf heeft.

Wat is de behandeling voor BVD?

Er is geen genezende behandeling voor het virus zelf. Behandeling richt zich daarom op:

  • Ondersteuning van weerstand
  • Aanvullen van vocht en elektrolyten bij diarree
  • Behandeling van secundaire infecties (alleen indien nodig en op advies van de dierenarts)

Het belangrijkste in een uitbraak is het opsporen en verwijderen van persistent geïnfecteerde dieren, omdat deze dieren de voortdurende besmettingsbron vormen.

Hoe kan BVD worden voorkomen?

Preventie is de basis van BVD-beheersing. Belangrijke maatregelen zijn:

  • Vaccinatie:
    • Regelmatige vaccinatie vermindert de kans op infectie en beschermt vooral drachtige dieren tegen het vormen van persistent geïnfecteerde kalveren.
    • Vaccins beschermen niet tegen bestaande persistent geïnfecteerde dieren, maar beperken nieuwe besmettingen.
  • Vroege opsporing:
    • Ieder kalf direct testen via oorbiopt voorkomt dat persistent geïnfecteerde dieren ongemerkt in de koppel blijven.
  • Gesloten bedrijfsvoering:
    • Vermijd aankopen of koop alleen BVD-vrije dieren.
  • Quarantaine:
    • Nieuwe dieren minimaal drie weken apart houden en testen.
  • Strikte bioveiligheid:
    • Schoon materiaal, bezoekershygiëne en vermijden van contact met andere koppels.

Veel bedrijven streven naar een BVD-vrije status, omdat dit risico’s en economische schade vermindert en de algemene diergezondheid verbetert.

Subklinische BVD

Veel BVD-infecties verlopen onopvallend. Dieren lijken gezond, maar hebben een verlaagde weerstand, waardoor andere ziekten vaker voorkomen. Subklinische BVD leidt tot:

  • Minder groei bij jongvee
  • Productiedaling
  • Verhoogde kans op luchtweginfecties en diarree
  • Lage vruchtbaarheid in de koppel

Regelmatige monitoring via tankmelk en onderzoek van kalveren is belangrijk om deze stille verspreiding op te sporen.

Programma’s om BVD-vrij te worden

In Nederland zijn verschillende BVD-programma’s beschikbaar, beheerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). Bedrijven kunnen hiermee toewerken naar een BVD-vrije status. De dierenarts kan adviseren over de beste strategie voor het bedrijf.

1.3 – Salmonella

1.3 salmonella

Salmonella is een besmettelijke bacteriële infectie die rundvee van alle leeftijden kan treffen. De ziekte wordt veroorzaakt door Salmonella-bacteriën, die naast diarree ook koorts, sloomheid, melkproductiedaling en soms bloedvergiftiging kunnen veroorzaken. Salmonella leidt vaak tot grote economische schade door groeivertraging, hogere uitval, vruchtbaarheidsproblemen en productiedaling. Omdat de bacterie lang kan overleven in de omgeving en dieren drager kunnen blijven, zijn goede hygiëne en bedrijfsbreed management essentieel.

Wat is de oorzaak van salmonella?

Salmonellose wordt veroorzaakt door bacteriën van het geslacht Salmonella. Bij rundvee zijn vooral Salmonella Dublin en Salmonella Typhimurium van belang. S. Dublin past zich aan aan rundvee en veroorzaakt vaak langdurige of terugkerende problemen. S. Typhimurium kan zowel runderen als andere diersoorten infecteren en geeft vooral acute diarree-uitbraken.

De bacterie verspreidt zich gemakkelijk, vooral via mest en meststofdeeltjes. Dieren kunnen bovendien drager worden: ze lijken gezond, maar scheiden toch bacteriën uit, vooral bij stress. Dit maakt salmonella hardnekkig en lastig volledig uit te roeien op bedrijven.

Verspreiding vindt vooral plaats via:
• Mest en meststofdeeltjes
• Neus- en speekselcontact
• Voer, drinkwater of melk die met mest zijn besmet
• Direct contact tussen dieren
• Indirect via materiaal, laarzen, voertuigen en bezoekers
• Ongedierte zoals muizen, ratten en vogels

Bij welke dieren komt salmonella voor?

Alle runderen kunnen salmonella oplopen, maar sommige groepen lopen meer risico:
• Kalveren, vooral wanneer ze weinig of onvoldoende kwalitatieve biest hebben gekregen
• Melkkoeien rond afkalven door stress en verminderde weerstand
• Bedrijven met een onbekende of slechte salmonella-status
• Bedrijven waar dieren worden aangekocht of veel aan- en afvoer plaatsvindt

Kalveren en jongvee zijn vaak het kwetsbaarst: zij worden doorgaans het zwaarst ziek en kunnen snel uitdrogen. Volwassen dieren kunnen zowel acute diarree krijgen als ongemerkt drager worden.

Wat zijn de verschijnselen van salmonella?

De verschijnselen van salmonella verschillen per dier, leeftijd en weerstand. Veel infecties beginnen met hoge koorts (41-42°C), verminderde eetlust en sloomheid. Daarna ontstaat diarree, die waterig kan zijn en soms slijm of bloed bevat. De mest gaat vaak sterk ruiken. Kalveren raken snel uitgedroogd en kunnen zonder tijdige behandeling sterven. Bij sommige kalveren kan na één tot twee weken sepsis ontstaan. Hierdoor kan longontsteking, gewrichtsontsteking, botontsteking of hersenvliesontsteking optreden. Soms ontstaat er zelfs weefselsterfte aan de uiteinden van het lichaam, waardoor bijvoorbeeld een oorpunt of een stukje staart kan afsterven en afvallen

Bij volwassen melkkoeien verloopt een infectie meestal iets milder, maar leidt vaak tot melkproductiedaling, koorts, minder eetlust en dunne mest. De weerstand daalt, waardoor andere infecties sneller toeslaan. Vooral in besmette koppels kan de melkgift wekenlang achterblijven.

Bij drachtige dieren kan salmonella leiden tot abortus, meestal in het tweede deel van de dracht. Sommige dieren worden drager en blijven langdurig bacteriën uitscheiden zonder duidelijke symptomen, wat de besmetting in stand houdt.

Wat voor onderzoek is mogelijk naar salmonella?

Salmonella kan worden aangetoond met:
• Mestonderzoek via kweek of PCR
• Bloedonderzoek om dragerschap of doorgemaakte infectie op te sporen
• Tankmelkonderzoek voor monitoring op melkveebedrijven
• Onderzoek op organen of darmmateriaal bij sterfte of abortus

Dragers kunnen intermitterend uitscheider zijn en daarom moet het bacteriologisch onderzoek van de feces enkele malen worden herhaald om een besmetting uit te sluiten. In de diagnostiek wordt ook gebruik gemaakt van detectie van antilichamen, die aantoonbaar zijn vanaf ongeveer 3 weken na infectie en bij niet persistent geïnfecteerde dieren tot 9 maanden aanwezig kunnen zijn.

Wat is de behandeling voor salmonella?

Er is geen behandeling die salmonella direct geneest. De therapie richt zich op:
• Voorkomen van uitdroging (elektrolyten, voldoende wateropname)
• Ondersteunen van de weerstand
• Behandeling van secundaire bacteriële infecties (alleen indien nodig en op advies van de dierenarts)

Snelle isolatie van zieke dieren is essentieel om verdere verspreiding te voorkomen. Strikte hygiëne en goede verzorging van kalveren kunnen sterfte aanzienlijk verminderen.

Hoe kan salmonella worden voorkomen?

Preventie is de basis in de bestrijding van salmonella. Belangrijke maatregelen zijn:
• Strikte hygiëne en mestmanagement
• Goede biestvoorziening voor kalveren
• Gesloten bedrijfsvoering of aankoop van salmonella-vrije dieren
• Quarantaine van nieuwe dieren gedurende minimaal drie weken
• Ongediertebestrijding (muizen, ratten, vogels)
• Schoonhouden van drinkbakken, voerplekken en jongveegroepen
• Beperking van bezoekerstromen en goede bedrijfskleding

Bedrijven die salmonella eenmaal binnen hebben, moeten vaak langere tijd consequent maatregelen nemen om de bacterie weg te werken omdat die lang in de omgeving kan overleven en dieren drager kunnen blijven.

Subklinische salmonella

Veel salmonellabesmettingen blijven onopvallend. Dieren lijken gezond, maar hebben een verlaagde weerstand en scheiden onopgemerkt bacteriën uit. Subklinische salmonella leidt tot:
• Minder groei bij jongvee
• Productiedaling
• Meer luchtweg- en darmproblemen
• Mindere vruchtbaarheid

Regelmatige monitoring via mestonderzoek of tankmelk is belangrijk om deze stille verspreiding op te sporen.

Programma’s om salmonella-vrij te worden

In Nederland bestaan verschillende salmonellaprogramma’s, beheerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). Via gestructureerde monitoring, gerichte onderzoeken en bedrijfsbegeleiding kan worden toegewerkt naar een salmonella-vrije status. De dierenarts kan ondersteunen bij het opstellen van een bedrijfsplan en het bewaken van voortgang.

1.4 Pinkengriep

Pinkengriep, veroorzaakt door het Bovine Respiratory Syncytial Virus (BRSV), is een zeer besmettelijke virusziekte van de luchtwegen bij rundvee. Het virus tast vooral de longen en de bovenste luchtwegen aan en kan leiden tot hoge koorts, hoesten, benauwdheid en soms ernstige longontsteking. Vooral jongvee en dieren met verminderde weerstand kunnen zwaar ziek worden. BRSV is een van de belangrijkste veroorzakers van het bovine respiratoir ziektecomplex (BRD) en kan flinke economische schade veroorzaken door sterfte, groeivertraging en productiedaling.

Wat is de oorzaak van pinkengriep (BRSV)?

Pinkengriep wordt veroorzaakt door het Bovine Respiratory Syncytial Virus. Dit virus beschadigt de longcellen waardoor de luchtwegen makkelijk dichtslibben en bacteriën de kans krijgen om een bijkomende longontsteking te veroorzaken. BRSV staat bekend om zijn snelle verspreiding en de mogelijkheid tot ernstige uitbraken, vooral in perioden met wisselende temperaturen en onvoldoende ventilatie.

Het virus verspreidt zich voornamelijk via:
• Druppelinfectie door hoesten en niezen
• Direct contact tussen dieren
• Indirect via luchtbewegingen, kleding, materiaal of voerbakken
• Omgevingsfactoren zoals slechte ventilatie of hoge stalbezetting

Bij welke dieren komt BRSV voor?

Alle runderen kunnen pinkengriep oplopen, maar sommige groepen zijn extra kwetsbaar:
• Jongvee tussen 2 weken en 12 maanden leeftijd
• Dieren met onvoldoende biestopname
• Bedrijven met gemengd jongvee van verschillende herkomst
• Stallen met slechte ventilatie, hoge bezetting of wisselende temperatuur

Een uitbraak ontstaat vaak in het najaar of winter, wanneer dieren dichter op elkaar staan en het stalklimaat minder optimaal is. De jongste dieren van 1 tot 3 maanden oud zijn het vaakst aangetast. Vanaf een leeftijd van 12 tot 15 maanden treedt er een soort van leeftijdsresistentie op.

Wat zijn de verschijnselen van BRSV?

De ernst van de ziekteverschijnselen kan sterk variëren. Sommige dieren hebben slechts een lichte verkoudheid, terwijl anderen acuut ernstig benauwd worden. De klachten beginnen meestal met koorts, sloomheid en een verminderd eetlust. Vaak volgt een droge hoest die snel kan verergeren.

Bij jongvee ontstaat regelmatig ernstige benauwdheid doordat de luchtwegen vollopen met slijm en ontstekingsvocht. Dieren ademen oppervlakkig en snel en kunnen soms met open bek ademen. De neusuitvloeiing begint waterig, maar wordt later slijmerig. De longen klinken bij het luisteren vaak afwijkend, met piepende of krakende bijgeluiden. Jongvee verliest snel conditie en kan zonder snelle behandeling sterven.

Bij volwassen melkkoeien verloopt BRSV meestal milder, maar kan het toch leiden tot melkproductiedaling, hoest, koorts en minder eetlust. Bij sommige dieren daalt de weerstand zodanig dat een bacteriële longontsteking volgt, wat het ziekteverloop aanzienlijk verergert.

In ernstige gevallen kan BRSV leiden tot:
• Open-mondademhaling
• Sterke benauwdheid
• conditie verlies
• Sterfte, vooral bij zware uitbraken

Wat voor onderzoek is mogelijk naar BRSV?

BRSV kan worden aangetoond met:
• PCR-onderzoek op neusswabs of longspoelsel
• Bloedonderzoek op antistoffen (bij individuen of koppelonderzoek)
• Onderzoek op longmateriaal bij sterfte

PCR wordt het meest gebruikt voor diagnose tijdens een uitbraak, omdat hiermee direct virusdeeltjes worden aangetoond.

Wat is de behandeling voor BRSV?

Er bestaat geen behandeling die het virus zelf geneest. De behandeling richt zich daarom op het ondersteunen van het dier en het voorkomen van bijkomende longontstekingen:
• Koortsbestrijding en ontstekingsremmers
• Ondersteuning van de ademhaling (bijv. luchtwegverwijders indien nodig)
• Behandeling van secundaire bacteriële infecties met antibiotica (alleen indien nodig en onder begeleiding van de dierenarts)
• Zorg voor voldoende frisse lucht en een droog, warm ligbed

Vroegtijdige behandeling is cruciaal om ernstige longschade en sterfte te voorkomen.

Hoe kan BRSV worden voorkomen?

Preventie is essentieel om ernstige uitbraken te vermijden. Belangrijke maatregelen zijn:
• Vaccinatie van jongvee en/of volwassen dieren volgens bedrijfsplan
• Goede ventilatie en luchtkwaliteit in jongveestallen
• Scheiding van leeftijdsgroepen
• Beperking van stress, bijvoorbeeld rondom verplaatsingen
• Strikte bioveiligheid en hygiëne
• Vermijden van aankoop van dieren met onbekende gezondheidsstatus

Vaccinatie kan het verloop van de ziekte sterk milderen en is daarom een belangrijk onderdeel van een bedrijfsbreed BRD-preventieplan.

1.5 Blauwtong

Blauwtong is een virusziekte die wordt veroorzaakt door het Bluetongue-virus (BTV). Het virus tast vooral de bloedvaten en slijmvliezen aan en wordt niet direct van dier op dier overgedragen, maar via knutten (Culicoides-mugjes). Vooral schapen kunnen er ziek van worden en er soms aan sterven. Ook andere herkauwers (runderen, geiten, dromedarissen en wilde herkauwers) kunnen geïnfecteerd raken, maar zij worden meestal minder ziek dan schapen. Runderen worden hierdoor vaak als “drager” van het virus beschouwd, maar bij sommige runderen kunnen toch duidelijke ziekteverschijnselen, productiedaling en vruchtbaarheidsproblemen ontstaan. Blauwtong kan grote economische schade veroorzaken door groeivertraging, sterfte bij jongvee, melkproductiedaling en vruchtbaarheidsverstoringen.

Wat is de oorzaak van blauwtong?

Blauwtong wordt veroorzaakt door het Bluetongue-virus, een orbivirus met meerdere serotypen (BTV-1, BTV-8, BTV-3, enz.). De ernst van de ziekteverschijnselen hangt sterk af van het type virus en de weerstand van de dieren.

Het virus verspreidt zich uitsluitend via:
• Knutten (Culicoides-soorten), vooral in warme en vochtige periodes
• Indirect via transport van besmette dieren naar nieuwe gebieden waar knutten aanwezig zijn
• Zelden via sperma of embryo’s

Van dier-op-dier contact raakt een rund niet direct besmet (zonder knutten stopt de virusverspreiding).

Bij welke dieren komt blauwtong voor?

Alle runderen kunnen blauwtong oplopen, maar sommige groepen zijn gevoeliger voor duidelijke verschijnselen:
• Dieren met verminderde weerstand
• Melkkoeien in periodes met veel insectendruk
• Bedrijven in regio’s waar BTV-circulatie bekend is

Runderen worden vaak langdurig viraemisch, wat betekent dat het virus langere tijd in het bloed aanwezig kan blijven. Hierdoor kunnen ze een infectiebron vormen voor knutten, ook zonder zelf zwaar ziek te zijn.

Wat zijn de verschijnselen van blauwtong?

Veel runderen vertonen milde of onduidelijke verschijnselen, maar bij gevoelige dieren kunnen duidelijke klachten optreden. De ziekte begint meestal met koorts, sloomheid en een daling in voeropname. Daarna kunnen slijmvliesontstekingen ontstaan.

Typische verschijnselen bij rundvee zijn:
• Koorts
• Sloomheid en minder eetlust
• Dikke of pijnlijke tong, soms blauw verkleurd (komt bij runderen minder vaak voor dan bij schapen)
• Rode ogen en neus
• Neus- en speekselvloeiing
• Zwelling van lippen en kop
• Mank lopen door pijnlijke hoeven (ontsteking in de kroonrand)
• Melkproductiedaling
• Groeivertraging bij jongvee

Bij ernstige infecties kunnen dieren moeite hebben met ademen, liggen veel en kunnen secundaire infecties optreden. Kalveren in de baarmoeder kunnen besmet raken, wat kan leiden tot misvormingen, doodgeboortes of zwakke kalveren.

Wat voor onderzoek is mogelijk naar blauwtong?

Blauwtong kan worden aangetoond met:
• PCR-onderzoek op bloed (meest gevoelig)
• Antistofonderzoek om eerdere besmetting op te sporen
• Onderzoek van organen of kalveren bij abortus of doodgeboorte

PCR is de standaardmethode tijdens een uitbraak omdat hiermee het virus zelf wordt aangetoond.

Wat is de behandeling voor blauwtong?

Er bestaat geen behandeling die het virus zelf bestrijdt. De aanpak richt zich op:
• Pijnstilling en ontstekingsremmers
• Ondersteuning van weerstand
• Voldoende voer- en wateropname
• Voorkomen van secundaire infecties
• Een comfortabele, droge en tochtvrije ligplaats

Bij ernstige klachten is dagelijkse controle en tijdig ingrijpen belangrijk om dieren te laten herstellen.

Hoe kan blauwtong worden voorkomen?

Preventie is vooral gericht op het verminderen van contact met knutten en het versterken van de weerstand:
• Eventuele vaccinatie wanneer er een vaccin beschikbaar en werkzaam is voor het circulerende serotype
• Insectenwering (bijv. winddoeken, verwijderen van stilstaand water, knutwerende maatregelen)
• Goede stalhygiëne en mestmanagement
• Robuuste weerstand door goed rantsoen en stressbeperking
• Beperking van diertransporten in knuttentijd

Omdat elk serotype een ander vaccin nodig heeft, is veterinaire begeleiding belangrijk bij de vaccinatiekeuze.

1.1 IBR

Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis (IBR) is een besmettelijke virusziekte van de luchtwegen bij rundvee, veroorzaakt door het boviene herpesvirus type 1 (BoHV-1). Het virus tast vooral de neus-, keel- en luchtpijp­slijmvliezen aan, maar kan ook de ogen en de voortplantingsorganen infecteren. IBR kan leiden tot flinke productieverliezen door koorts, verminderde eetlust, hoesten en melkproductiedaling. Daarnaast kan het virus zich in het lichaam verschuilen en later opnieuw actief worden. Een goede preventie en bedrijfsbreed management zijn daarom essentieel.

Wat is de oorzaak van IBR?

IBR wordt veroorzaakt door bovine herpesvirus subtype 1 (BHV1), een herpesvirus dat zeer besmettelijk is. Na een eerste infectie blijft het virus levenslang latent aanwezig in het lichaam. Stressfactoren zoals transport, ziekte, behandeling of rangorde­wisselingen kunnen het virus opnieuw activeren, waarna de koe virus gaat uitscheiden en andere dieren besmet.

Verspreiding vindt vooral plaats via:

  • Neusuitvloeiing en druppelinfectie (hoesten, niezen)
  • Direct contact tussen dieren
  • Indirect via materiaal, bezoekers of voertuigen
  • Sperma van besmette stieren

Bij welke dieren komt IBR voor?

BHV1 komt voor bij runderen van alle leeftijden. Kalveren laten vooral de luchtwegvorm zien, met klachten zoals hoesten en snotteren. Bij volwassen koeien kunnen naast luchtwegproblemen ook andere verschijnselen optreden, zoals oogontsteking of vruchtbaarheidsproblemen.

Na een besmetting bouwt een dier wel weerstand op, maar deze bescherming houdt niet levenslang aan. Als een koe later opnieuw in contact komt met het virus, hangt het van haar afweer af of ze opnieuw klachten krijgt en hoe ernstig die zijn.

BHV1 kan daarnaast niet alleen runderen besmetten, maar soms ook schapen, geiten en wilde herkauwers.

Iedere leeftijdsgroep kan besmet raken, maar de volgende groepen lopen een hoger risico op besmetting:

  • Jongvee zonder voldoende antistoffen
  • Ongevaccineerde melkkoeien
  • Dieren afkomstig van bedrijven met onbekende of slechte IBR-status
  • Dieren die stress ondervinden door bijvoorbeeld transport, rangorde­veranderingen of andere ziekten

Wat zijn de verschijnselen van IBR?

De klachten van IBR kunnen behoorlijk verschillen per dier en situatie. De ernst hangt vooral af van leeftijd, afweer, vaccinatie en de druk van het virus op het bedrijf. Jonge dieren laten meestal duidelijkere en zwaardere verschijnselen zien dan volwassen koeien.

Bij kalveren en pinken begint IBR vaak al snel na besmetting, meestal twee tot vier dagen later. De eerste signalen zijn minder eten, speekselen en sloom gedrag. De temperatuur loopt snel op en kan oplopen tot 41 à 42°C. De slijmvliezen van neus, mond en ogen worden felrood. Ook de neusspiegel kan opvallend rood worden. De neusuitvloeiing begint waterig, maar wordt snel dikker en pusachtig en kan soms zelfs bloed bevatten.

Door zwelling van de slijmvliezen in neus, keel en luchtpijp krijgen de dieren het benauwd. Ze ademen zwaar en soms met open bek. In ernstige gevallen is een piepend geluid hoorbaar. Het hoesten is vaak droog en kan zo hevig zijn dat de tong ver uit de bek steekt. Door de benauwdheid hebben de dieren moeite met drinken of eten en soms loopt voer of water weer terug omdat ook de keel ontstoken is. Bij subklinische IBR zijn de longen bij het luisteren meestal nog normaal, maar de bijgeluiden uit de bovenste luchtwegen kunnen dit soms verhullen.

Bij volwassen melkkoeien verloopt IBR doorgaans milder. Ze laten vooral een duidelijke daling in melkgift zien, gecombineerd met koorts, minder eetlust en een iets versnelde ademhaling. De slijmvliezen zijn wat roder en er komt heldere neusuitvloeiing vrij. Vaak hebben ze een droge hoest. Na een paar dagen zakt de koorts en verdwijnen de klachten. De meeste dieren herstellen binnen twee tot drie weken, al halen sommige koeien hun oude melkniveau niet meer.

Soms verloopt de infectie bij volwassen koeien toch ernstiger. Dan lijken de klachten meer op die van kalveren, met duidelijke aantasting van de slijmvliezen, zware benauwdheid en een snel pusachtige neusuitvloeiing. Door bijkomende bacteriële infecties kan de temperatuur langdurig hoog blijven en kan longontsteking ontstaan.

Bij vleesvee verloopt IBR vaak ernstiger doordat het klimaat in de stal meestal minder ideaal is. Deze dieren verliezen snel gewicht en ontwikkelen frequent longontsteking, vaak in combinatie met andere ziekteverwekkers zoals Mannheimia haemolytica.

IBR kan zich zeer snel door een koppel verspreiden, maar soms verloopt dit juist langzaam en ziet u steeds maar enkele zieke dieren tegelijk. Abortus kan optreden binnen twee weken na een acute infectie, maar soms ook pas tot honderd dagen later.

Wat voor onderzoek is mogelijk naar IBR?

IBR kan worden aangetoond met:

  • Bloedonderzoek op antistoffen (individueel of tankmelk)
  • PCR-onderzoek op neusswabs of longmateriaal
  • Tankmelkmonitoring voor koppelstatus op melkveebedrijven

Met deze onderzoeken kan worden bepaald of er actieve infectie is, of het bedrijf vrij is, of dat dieren drager zijn.

Wat is de behandeling voor IBR?

Er bestaat geen genezende behandeling tegen IBR. Behandeling richt zich vooral op:

  • Verminderen van koorts en luchtwegklachten
  • Ondersteuning van weerstand
  • Eventueel behandelen van secundaire bacteriële infecties met antibiotica (alleen indien nodig en op advies van de dierenarts)

Het belangrijkste in een uitbraak is het beperken van verspreiding door snelle isolatie en streng hygiëne-management.

Hoe kan IBR worden voorkomen?

Preventie is de kern bij IBR-beheersing. Belangrijke maatregelen zijn:

  • Vaccinatie:
    • Regelmatige vaccinatie voorkomt ziekteverschijnselen en verlaagt virusuitscheiding.
    • Zowel marker- als conventionele vaccins zijn beschikbaar; de keuze hangt af van de bedrijfsdoelen en eventuele deelname aan programma’s.
  • Gesloten bedrijfsvoering:
    • Vermijd aankopen van dieren of koop alleen IBR-vrije dieren.
  • Quarantaine:
    • Nieuwe dieren minimaal 3 weken apart houden en vaccinatiestatus controleren.
  • Goede bioveiligheid:
    • Bezoekershygiëne, schoon materiaal, beperken van contact met andere koppels.
  • Stressreductie:
    • Zorg voor rustig management, stabiele groepen en goede klimaatcondities.

Veel melkveebedrijven streven naar een IBR-vrije of IBR-onverdacht status, omdat dit risico’s en bedrijfsschade aanzienlijk vermindert.

Subklinische IBR

Net als bij andere infecties kan ook IBR subklinisch verlopen. Dieren vertonen dan geen duidelijke symptomen, maar kunnen wel virus uitscheiden en zo andere dieren besmetten. Subklinische infecties leiden bovendien tot:

  • Verminderde voeropname
  • Productiedaling
  • Verhoogde gevoeligheid voor secundaire luchtweginfecties

Door monitoring via tankmelk en periodieke serologie kunnen subklinische infecties tijdig opgespoord worden.

Programma’s om IBR-vrij te worden

In Nederland bestaan verschillende niveaus in het kader van IBR-bestrijding, vastgelegd binnen de door de GD beheerde programma’s. Melkveebedrijven kunnen via deze programma’s toewerken naar een IBR-vrije status, wat infectierisico’s verlaagt en toekomstig beleid ondersteunt. De dierenarts kan hierbij adviseren of ondersteunen.

1.2 BVD

Bovine Virale Diarree (BVD) is een besmettelijke virusziekte die rundvee van alle leeftijden kan treffen. De ziekte wordt veroorzaakt door het BVD-virus (BVDV), een pestivirus dat naast diarree ook koorts, luchtwegproblemen, verminderde weerstand en vruchtbaarheidsstoringen kan veroorzaken. BVD kan leiden tot grote economische schade door productiedaling, hogere uitval, meer ziektegevallen en problemen bij drachtige dieren. Een goede preventie en bedrijfsbreed management zijn daarom essentieel.

Wat is de oorzaak van BVD?

BVD wordt veroorzaakt door het bovine virale diarreevirus. Er bestaan twee vormen van het virus: een niet-cytopathogene (NCP) en een cytopathogene (CP) variant. De NCP-variant veroorzaakt de meeste problemen op melkveebedrijven, vooral omdat deze vorm kan zorgen voor de geboorte van persistent geïnfecteerde dieren.

Persistent geïnfecteerde dieren zijn blijvend besmet en hebben het virus in grote hoeveelheden in hun lichaam. Ze scheiden het virus voortdurend uit en vormen daarmee de belangrijkste besmettingsbron binnen koppels.

Verspreiding vindt vooral plaats via:

  • Neus- en speekselcontact
  • Mest, urine en sperma
  • Melk en biest
  • Direct contact tussen dieren
  • Ongeboren kalveren via de dracht
  • Indirect via bezoekers, materiaal of voertuigen

Bij welke dieren komt BVD voor?

Alle leeftijdsgroepen kunnen BVD oplopen, maar sommige dieren lopen meer risico:

  • Jongvee zonder voldoende antistoffen
  • Bedrijven waar nooit of weinig wordt gevaccineerd
  • Bedrijven met onbekende of slechte BVD-status
  • Bedrijven met recent aangekochte dieren of aanloop van jongvee

BVD kan ook voorkomen op gemengde bedrijven of locaties waar kalveren vanuit meerdere bedrijven worden samengebracht.

Wat zijn de verschijnselen van BVD?

De verschijnselen van BVD lopen sterk uiteen. Veel besmettingen verlopen mild of onopvallend, terwijl andere dieren juist ernstig ziek worden. De ernst hangt af van leeftijd, weerstand, de vorm van het virus en of het dier immunologisch naïef is.

Bij jongvee wordt vaak een combinatie gezien van diarree, koorts, sloomheid en verminderde eetlust. De diarree kan waterig zijn en soms vermengd met slijm of bloed. Door de lage weerstand kunnen dieren snel bijkomende infecties oplopen zoals luchtwegproblemen of longontsteking. De groei blijft achter en groepen kunnen langdurig ondermaats presteren.

Bij volwassen melkkoeien verloopt een infectie meestal milder, maar leidt vaak tot melkproductiedaling, koorts, minder eetlust en soms lichte diarree. De weerstand daalt, waardoor andere ziekten vaker voorkomen. Vooral in een besmette koppel kan de melkgift wekenlang achterblijven. Bij drachtige dieren kan BVD grote gevolgen hebben. Het virus kan via de baarmoeder het ongeboren kalf besmetten. Afhankelijk van het stadium van de dracht kan dit leiden tot vroege embryonale sterfte, verworpen vruchten, misvormde kalveren of de geboorte van een persistent geïnfecteerd kalf.

Persistent geïnfecteerde kalveren vormen de meest ernstige vorm van BVD op een bedrijf. Ze worden vaak zwak geboren, blijven achter in groei, zijn vatbaar voor allerlei infecties en sterven vaak jong. Daarnaast worden er ook persistent geïnfecteerde kalveren geboren zonder ziekteverschijnselen Deze besmetten voortdurend andere dieren in de koppel.

Wat voor onderzoek is mogelijk naar BVD?

BVD kan op verschillende manieren worden aangetoond:

  • Oorbiopt-onderzoek bij kalveren (BVD-antigeentest) ideaal om persistent geïnfecteerde kalveren direct op te sporen
  • Bloedonderzoek op antistoffen of virus
  • Tankmelkonderzoek om viruscirculatie in de melkveekoppel te monitoren
  • PCR-onderzoek op weefsel of bloed voor directe virusdetectie

Met deze methoden kan worden bepaald of er virus aanwezig is, of er persistent geïnfecteerde dieren in de koppel zijn en welke status het bedrijf heeft.

Wat is de behandeling voor BVD?

Er is geen genezende behandeling voor het virus zelf. Behandeling richt zich daarom op:

  • Ondersteuning van weerstand
  • Aanvullen van vocht en elektrolyten bij diarree
  • Behandeling van secundaire infecties (alleen indien nodig en op advies van de dierenarts)

Het belangrijkste in een uitbraak is het opsporen en verwijderen van persistent geïnfecteerde dieren, omdat deze dieren de voortdurende besmettingsbron vormen.

Hoe kan BVD worden voorkomen?

Preventie is de basis van BVD-beheersing. Belangrijke maatregelen zijn:

  • Vaccinatie:
    • Regelmatige vaccinatie vermindert de kans op infectie en beschermt vooral drachtige dieren tegen het vormen van persistent geïnfecteerde kalveren.
    • Vaccins beschermen niet tegen bestaande persistent geïnfecteerde dieren, maar beperken nieuwe besmettingen.
  • Vroege opsporing:
    • Ieder kalf direct testen via oorbiopt voorkomt dat persistent geïnfecteerde dieren ongemerkt in de koppel blijven.
  • Gesloten bedrijfsvoering:
    • Vermijd aankopen of koop alleen BVD-vrije dieren.
  • Quarantaine:
    • Nieuwe dieren minimaal drie weken apart houden en testen.
  • Strikte bioveiligheid:
    • Schoon materiaal, bezoekershygiëne en vermijden van contact met andere koppels.

Veel bedrijven streven naar een BVD-vrije status, omdat dit risico’s en economische schade vermindert en de algemene diergezondheid verbetert.

Subklinische BVD

Veel BVD-infecties verlopen onopvallend. Dieren lijken gezond, maar hebben een verlaagde weerstand, waardoor andere ziekten vaker voorkomen. Subklinische BVD leidt tot:

  • Minder groei bij jongvee
  • Productiedaling
  • Verhoogde kans op luchtweginfecties en diarree
  • Lage vruchtbaarheid in de koppel

Regelmatige monitoring via tankmelk en onderzoek van kalveren is belangrijk om deze stille verspreiding op te sporen.

Programma’s om BVD-vrij te worden

In Nederland zijn verschillende BVD-programma’s beschikbaar, beheerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). Bedrijven kunnen hiermee toewerken naar een BVD-vrije status. De dierenarts kan adviseren over de beste strategie voor het bedrijf.

1.3 – Salmonella

1.3 salmonella

Salmonella is een besmettelijke bacteriële infectie die rundvee van alle leeftijden kan treffen. De ziekte wordt veroorzaakt door Salmonella-bacteriën, die naast diarree ook koorts, sloomheid, melkproductiedaling en soms bloedvergiftiging kunnen veroorzaken. Salmonella leidt vaak tot grote economische schade door groeivertraging, hogere uitval, vruchtbaarheidsproblemen en productiedaling. Omdat de bacterie lang kan overleven in de omgeving en dieren drager kunnen blijven, zijn goede hygiëne en bedrijfsbreed management essentieel.

Wat is de oorzaak van salmonella?

Salmonellose wordt veroorzaakt door bacteriën van het geslacht Salmonella. Bij rundvee zijn vooral Salmonella Dublin en Salmonella Typhimurium van belang. S. Dublin past zich aan aan rundvee en veroorzaakt vaak langdurige of terugkerende problemen. S. Typhimurium kan zowel runderen als andere diersoorten infecteren en geeft vooral acute diarree-uitbraken.

De bacterie verspreidt zich gemakkelijk, vooral via mest en meststofdeeltjes. Dieren kunnen bovendien drager worden: ze lijken gezond, maar scheiden toch bacteriën uit, vooral bij stress. Dit maakt salmonella hardnekkig en lastig volledig uit te roeien op bedrijven.

Verspreiding vindt vooral plaats via:
• Mest en meststofdeeltjes
• Neus- en speekselcontact
• Voer, drinkwater of melk die met mest zijn besmet
• Direct contact tussen dieren
• Indirect via materiaal, laarzen, voertuigen en bezoekers
• Ongedierte zoals muizen, ratten en vogels

Bij welke dieren komt salmonella voor?

Alle runderen kunnen salmonella oplopen, maar sommige groepen lopen meer risico:
• Kalveren, vooral wanneer ze weinig of onvoldoende kwalitatieve biest hebben gekregen
• Melkkoeien rond afkalven door stress en verminderde weerstand
• Bedrijven met een onbekende of slechte salmonella-status
• Bedrijven waar dieren worden aangekocht of veel aan- en afvoer plaatsvindt

Kalveren en jongvee zijn vaak het kwetsbaarst: zij worden doorgaans het zwaarst ziek en kunnen snel uitdrogen. Volwassen dieren kunnen zowel acute diarree krijgen als ongemerkt drager worden.

Wat zijn de verschijnselen van salmonella?

De verschijnselen van salmonella verschillen per dier, leeftijd en weerstand. Veel infecties beginnen met hoge koorts (41-42°C), verminderde eetlust en sloomheid. Daarna ontstaat diarree, die waterig kan zijn en soms slijm of bloed bevat. De mest gaat vaak sterk ruiken. Kalveren raken snel uitgedroogd en kunnen zonder tijdige behandeling sterven. Bij sommige kalveren kan na één tot twee weken sepsis ontstaan. Hierdoor kan longontsteking, gewrichtsontsteking, botontsteking of hersenvliesontsteking optreden. Soms ontstaat er zelfs weefselsterfte aan de uiteinden van het lichaam, waardoor bijvoorbeeld een oorpunt of een stukje staart kan afsterven en afvallen

Bij volwassen melkkoeien verloopt een infectie meestal iets milder, maar leidt vaak tot melkproductiedaling, koorts, minder eetlust en dunne mest. De weerstand daalt, waardoor andere infecties sneller toeslaan. Vooral in besmette koppels kan de melkgift wekenlang achterblijven.

Bij drachtige dieren kan salmonella leiden tot abortus, meestal in het tweede deel van de dracht. Sommige dieren worden drager en blijven langdurig bacteriën uitscheiden zonder duidelijke symptomen, wat de besmetting in stand houdt.

Wat voor onderzoek is mogelijk naar salmonella?

Salmonella kan worden aangetoond met:
• Mestonderzoek via kweek of PCR
• Bloedonderzoek om dragerschap of doorgemaakte infectie op te sporen
• Tankmelkonderzoek voor monitoring op melkveebedrijven
• Onderzoek op organen of darmmateriaal bij sterfte of abortus

Dragers kunnen intermitterend uitscheider zijn en daarom moet het bacteriologisch onderzoek van de feces enkele malen worden herhaald om een besmetting uit te sluiten. In de diagnostiek wordt ook gebruik gemaakt van detectie van antilichamen, die aantoonbaar zijn vanaf ongeveer 3 weken na infectie en bij niet persistent geïnfecteerde dieren tot 9 maanden aanwezig kunnen zijn.

Wat is de behandeling voor salmonella?

Er is geen behandeling die salmonella direct geneest. De therapie richt zich op:
• Voorkomen van uitdroging (elektrolyten, voldoende wateropname)
• Ondersteunen van de weerstand
• Behandeling van secundaire bacteriële infecties (alleen indien nodig en op advies van de dierenarts)

Snelle isolatie van zieke dieren is essentieel om verdere verspreiding te voorkomen. Strikte hygiëne en goede verzorging van kalveren kunnen sterfte aanzienlijk verminderen.

Hoe kan salmonella worden voorkomen?

Preventie is de basis in de bestrijding van salmonella. Belangrijke maatregelen zijn:
• Strikte hygiëne en mestmanagement
• Goede biestvoorziening voor kalveren
• Gesloten bedrijfsvoering of aankoop van salmonella-vrije dieren
• Quarantaine van nieuwe dieren gedurende minimaal drie weken
• Ongediertebestrijding (muizen, ratten, vogels)
• Schoonhouden van drinkbakken, voerplekken en jongveegroepen
• Beperking van bezoekerstromen en goede bedrijfskleding

Bedrijven die salmonella eenmaal binnen hebben, moeten vaak langere tijd consequent maatregelen nemen om de bacterie weg te werken omdat die lang in de omgeving kan overleven en dieren drager kunnen blijven.

Subklinische salmonella

Veel salmonellabesmettingen blijven onopvallend. Dieren lijken gezond, maar hebben een verlaagde weerstand en scheiden onopgemerkt bacteriën uit. Subklinische salmonella leidt tot:
• Minder groei bij jongvee
• Productiedaling
• Meer luchtweg- en darmproblemen
• Mindere vruchtbaarheid

Regelmatige monitoring via mestonderzoek of tankmelk is belangrijk om deze stille verspreiding op te sporen.

Programma’s om salmonella-vrij te worden

In Nederland bestaan verschillende salmonellaprogramma’s, beheerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). Via gestructureerde monitoring, gerichte onderzoeken en bedrijfsbegeleiding kan worden toegewerkt naar een salmonella-vrije status. De dierenarts kan ondersteunen bij het opstellen van een bedrijfsplan en het bewaken van voortgang.

1.4 Pinkengriep

Pinkengriep, veroorzaakt door het Bovine Respiratory Syncytial Virus (BRSV), is een zeer besmettelijke virusziekte van de luchtwegen bij rundvee. Het virus tast vooral de longen en de bovenste luchtwegen aan en kan leiden tot hoge koorts, hoesten, benauwdheid en soms ernstige longontsteking. Vooral jongvee en dieren met verminderde weerstand kunnen zwaar ziek worden. BRSV is een van de belangrijkste veroorzakers van het bovine respiratoir ziektecomplex (BRD) en kan flinke economische schade veroorzaken door sterfte, groeivertraging en productiedaling.

Wat is de oorzaak van pinkengriep (BRSV)?

Pinkengriep wordt veroorzaakt door het Bovine Respiratory Syncytial Virus. Dit virus beschadigt de longcellen waardoor de luchtwegen makkelijk dichtslibben en bacteriën de kans krijgen om een bijkomende longontsteking te veroorzaken. BRSV staat bekend om zijn snelle verspreiding en de mogelijkheid tot ernstige uitbraken, vooral in perioden met wisselende temperaturen en onvoldoende ventilatie.

Het virus verspreidt zich voornamelijk via:
• Druppelinfectie door hoesten en niezen
• Direct contact tussen dieren
• Indirect via luchtbewegingen, kleding, materiaal of voerbakken
• Omgevingsfactoren zoals slechte ventilatie of hoge stalbezetting

Bij welke dieren komt BRSV voor?

Alle runderen kunnen pinkengriep oplopen, maar sommige groepen zijn extra kwetsbaar:
• Jongvee tussen 2 weken en 12 maanden leeftijd
• Dieren met onvoldoende biestopname
• Bedrijven met gemengd jongvee van verschillende herkomst
• Stallen met slechte ventilatie, hoge bezetting of wisselende temperatuur

Een uitbraak ontstaat vaak in het najaar of winter, wanneer dieren dichter op elkaar staan en het stalklimaat minder optimaal is. De jongste dieren van 1 tot 3 maanden oud zijn het vaakst aangetast. Vanaf een leeftijd van 12 tot 15 maanden treedt er een soort van leeftijdsresistentie op.

Wat zijn de verschijnselen van BRSV?

De ernst van de ziekteverschijnselen kan sterk variëren. Sommige dieren hebben slechts een lichte verkoudheid, terwijl anderen acuut ernstig benauwd worden. De klachten beginnen meestal met koorts, sloomheid en een verminderd eetlust. Vaak volgt een droge hoest die snel kan verergeren.

Bij jongvee ontstaat regelmatig ernstige benauwdheid doordat de luchtwegen vollopen met slijm en ontstekingsvocht. Dieren ademen oppervlakkig en snel en kunnen soms met open bek ademen. De neusuitvloeiing begint waterig, maar wordt later slijmerig. De longen klinken bij het luisteren vaak afwijkend, met piepende of krakende bijgeluiden. Jongvee verliest snel conditie en kan zonder snelle behandeling sterven.

Bij volwassen melkkoeien verloopt BRSV meestal milder, maar kan het toch leiden tot melkproductiedaling, hoest, koorts en minder eetlust. Bij sommige dieren daalt de weerstand zodanig dat een bacteriële longontsteking volgt, wat het ziekteverloop aanzienlijk verergert.

In ernstige gevallen kan BRSV leiden tot:
• Open-mondademhaling
• Sterke benauwdheid
• conditie verlies
• Sterfte, vooral bij zware uitbraken

Wat voor onderzoek is mogelijk naar BRSV?

BRSV kan worden aangetoond met:
• PCR-onderzoek op neusswabs of longspoelsel
• Bloedonderzoek op antistoffen (bij individuen of koppelonderzoek)
• Onderzoek op longmateriaal bij sterfte

PCR wordt het meest gebruikt voor diagnose tijdens een uitbraak, omdat hiermee direct virusdeeltjes worden aangetoond.

Wat is de behandeling voor BRSV?

Er bestaat geen behandeling die het virus zelf geneest. De behandeling richt zich daarom op het ondersteunen van het dier en het voorkomen van bijkomende longontstekingen:
• Koortsbestrijding en ontstekingsremmers
• Ondersteuning van de ademhaling (bijv. luchtwegverwijders indien nodig)
• Behandeling van secundaire bacteriële infecties met antibiotica (alleen indien nodig en onder begeleiding van de dierenarts)
• Zorg voor voldoende frisse lucht en een droog, warm ligbed

Vroegtijdige behandeling is cruciaal om ernstige longschade en sterfte te voorkomen.

Hoe kan BRSV worden voorkomen?

Preventie is essentieel om ernstige uitbraken te vermijden. Belangrijke maatregelen zijn:
• Vaccinatie van jongvee en/of volwassen dieren volgens bedrijfsplan
• Goede ventilatie en luchtkwaliteit in jongveestallen
• Scheiding van leeftijdsgroepen
• Beperking van stress, bijvoorbeeld rondom verplaatsingen
• Strikte bioveiligheid en hygiëne
• Vermijden van aankoop van dieren met onbekende gezondheidsstatus

Vaccinatie kan het verloop van de ziekte sterk milderen en is daarom een belangrijk onderdeel van een bedrijfsbreed BRD-preventieplan.

1.5 Blauwtong

Blauwtong is een virusziekte die wordt veroorzaakt door het Bluetongue-virus (BTV). Het virus tast vooral de bloedvaten en slijmvliezen aan en wordt niet direct van dier op dier overgedragen, maar via knutten (Culicoides-mugjes). Vooral schapen kunnen er ziek van worden en er soms aan sterven. Ook andere herkauwers (runderen, geiten, dromedarissen en wilde herkauwers) kunnen geïnfecteerd raken, maar zij worden meestal minder ziek dan schapen. Runderen worden hierdoor vaak als “drager” van het virus beschouwd, maar bij sommige runderen kunnen toch duidelijke ziekteverschijnselen, productiedaling en vruchtbaarheidsproblemen ontstaan. Blauwtong kan grote economische schade veroorzaken door groeivertraging, sterfte bij jongvee, melkproductiedaling en vruchtbaarheidsverstoringen.

Wat is de oorzaak van blauwtong?

Blauwtong wordt veroorzaakt door het Bluetongue-virus, een orbivirus met meerdere serotypen (BTV-1, BTV-8, BTV-3, enz.). De ernst van de ziekteverschijnselen hangt sterk af van het type virus en de weerstand van de dieren.

Het virus verspreidt zich uitsluitend via:
• Knutten (Culicoides-soorten), vooral in warme en vochtige periodes
• Indirect via transport van besmette dieren naar nieuwe gebieden waar knutten aanwezig zijn
• Zelden via sperma of embryo’s

Van dier-op-dier contact raakt een rund niet direct besmet (zonder knutten stopt de virusverspreiding).

Bij welke dieren komt blauwtong voor?

Alle runderen kunnen blauwtong oplopen, maar sommige groepen zijn gevoeliger voor duidelijke verschijnselen:
• Dieren met verminderde weerstand
• Melkkoeien in periodes met veel insectendruk
• Bedrijven in regio’s waar BTV-circulatie bekend is

Runderen worden vaak langdurig viraemisch, wat betekent dat het virus langere tijd in het bloed aanwezig kan blijven. Hierdoor kunnen ze een infectiebron vormen voor knutten, ook zonder zelf zwaar ziek te zijn.

Wat zijn de verschijnselen van blauwtong?

Veel runderen vertonen milde of onduidelijke verschijnselen, maar bij gevoelige dieren kunnen duidelijke klachten optreden. De ziekte begint meestal met koorts, sloomheid en een daling in voeropname. Daarna kunnen slijmvliesontstekingen ontstaan.

Typische verschijnselen bij rundvee zijn:
• Koorts
• Sloomheid en minder eetlust
• Dikke of pijnlijke tong, soms blauw verkleurd (komt bij runderen minder vaak voor dan bij schapen)
• Rode ogen en neus
• Neus- en speekselvloeiing
• Zwelling van lippen en kop
• Mank lopen door pijnlijke hoeven (ontsteking in de kroonrand)
• Melkproductiedaling
• Groeivertraging bij jongvee

Bij ernstige infecties kunnen dieren moeite hebben met ademen, liggen veel en kunnen secundaire infecties optreden. Kalveren in de baarmoeder kunnen besmet raken, wat kan leiden tot misvormingen, doodgeboortes of zwakke kalveren.

Wat voor onderzoek is mogelijk naar blauwtong?

Blauwtong kan worden aangetoond met:
• PCR-onderzoek op bloed (meest gevoelig)
• Antistofonderzoek om eerdere besmetting op te sporen
• Onderzoek van organen of kalveren bij abortus of doodgeboorte

PCR is de standaardmethode tijdens een uitbraak omdat hiermee het virus zelf wordt aangetoond.

Wat is de behandeling voor blauwtong?

Er bestaat geen behandeling die het virus zelf bestrijdt. De aanpak richt zich op:
• Pijnstilling en ontstekingsremmers
• Ondersteuning van weerstand
• Voldoende voer- en wateropname
• Voorkomen van secundaire infecties
• Een comfortabele, droge en tochtvrije ligplaats

Bij ernstige klachten is dagelijkse controle en tijdig ingrijpen belangrijk om dieren te laten herstellen.

Hoe kan blauwtong worden voorkomen?

Preventie is vooral gericht op het verminderen van contact met knutten en het versterken van de weerstand:
• Eventuele vaccinatie wanneer er een vaccin beschikbaar en werkzaam is voor het circulerende serotype
• Insectenwering (bijv. winddoeken, verwijderen van stilstaand water, knutwerende maatregelen)
• Goede stalhygiëne en mestmanagement
• Robuuste weerstand door goed rantsoen en stressbeperking
• Beperking van diertransporten in knuttentijd

Omdat elk serotype een ander vaccin nodig heeft, is veterinaire begeleiding belangrijk bij de vaccinatiekeuze.

Rundveedierenartsen Wolvega
Privacyoverzicht

Deze site maakt gebruik van cookies, zodat wij je de best mogelijke gebruikerservaring kunnen bieden. Cookie-informatie wordt opgeslagen in je browser en voert functies uit zoals het herkennen wanneer je terugkeert naar onze site en helpt ons team om te begrijpen welke delen van de site je het meest interessant en nuttig vindt.